Laat je geen rad voor ogen draaien door programma's als 'Sterren op de dansvloer'. Een dans leer je niet snel even op 5 x 60 minuten. Om plezier in het dansen te kunnen krijgen, moet vooral de basis er goed in zitten. Dan ben je toch al snel 2 jaar bezig. Tenzij je dagelijks een uur oefent...

Het is verstandig om de passen die je geleerd hebt in de pauze of na de les te noteren.

Er bestaan een aantal methoden hiervoor. Zoveel te meer informatie ze bevatten, zoveel te moeilijker ze zijn. En daardoor zijn ze eigenlijk ook onbruikbaar. Je eigen manier van noteren is voor jou de beste. Het helpt in ieder geval om de passen en figuren te onthouden. En achteraf is het een goed geheugensteuntje.

We gebruiken 10% van onze hersenen.
Stel je eens voor wat we zouden kunnen als we ook
de overige 60% gebruikten...
(Ellen De Generes)

Er bestaan verschillende methoden om dansen en bewegingen te be-schrijven.

labanotationDe Labanotation (of Kinethografie) is genoemd naar Rudolf von Laban, grondlegger van de Europese moderne dans, die in 1920 hieraan begon te werken. Het is me wat te ingewikkeld. Eer je een neergeschreven beweging hebt ontrafeld, zijn er al 2 andere dansen gespeeld…

Het is dan wel een zeer complete methode, die voor ieder onderdeel van je lichaam iedere mogelijke positie kan beschrijven. Op internet vindt je er meer over. Niet zo mijn ding…

Een wat muzikaal uitziend dansschrift is de Beneshnotatie (1955).

Nog meer op muziekschrift lijkt de Romanotatie.

Er zijn nog andere vormen, maar geen van allen geschikt voor ons als dansliefhebbers.

Ik houd het liever eenvoudiger: per maat 4 regels onder elkaar: een voor het tempo, een voor de heer, een voor de dame, en eentje voor toelichtingen. Met een paar afkortingen als RV (rechtervoet) v(oor), a(chter)… kom je al een heel eind. Een betere richting bepaling krijg je door naar de cijfers op de wijzerplaat van een klok te verwijzen. En tempo kan al weergegeven worden met S(low), Q(uick), en, e (zie ritme). Het is een soort eigen interpretatie van de Rasche-notation, die vooral voor Argentijnse tango was ontworpen.

 
Tegenwoordig bestaat er nog een makkelijker hulpmiddel: een filmpje maken met gsm of camera. Dat mag (nog) niet in iedere dansschool, dus vraag het eerst. Andere dansscholen vragen zelfs dat je het voor iedereen op You Tube zet, maar dan wel met een verwijzing naar de dansschool. Eventueel kan je het ook samen met een ander koppel na de les thuis even proberen op te nemen.

Om te dansen hoef je maar een paar simpele passen te doen en die te blijven herhalen. (naar Mario Garcia)

 

 

Als je nieuwe figuren leert bij een dans doe je er goed aan om de nieuwste figuur telkens in het begin van je dans te doen. Zo kan je ze inoefenen. Anders bestaat de mogelijkheid dat je er niet meer aan toe komt (de dans is te kort, je bent ze alweer vergeten, of je hebt al teveel andere figuren die je eerst gaat doen.)

Wat betreft bijsturen en aanpassen van cursussen lopen dansscholen en –verenigingen jammer genoeg achter t.a.v. de cursuscollega’s uit andere sectoren. Daar krijg je steevast op het einde van een cursus (zelfs eentje van 2 uur) een evaluatieblad. Dit geeft organisatoren en lesgevers de kans nog beter in te spelen op de behoeften van hun klanten, zowel op vlak van organisatie als methodiek, infrastructuur, inhoud enz. In de danswereld heb ik dit helaas nog nergens mogen meemaken. Nochtans wordt daar ook zeer professioneel gewerkt. Het kan altijd beter…


De middelmatige leraar vertelt.

De goede leraar verklaart.

De betere leraar toont aan.

De ware leraar inspireert.

(William Arthur Ward)