Algemene tips i.v.m. kleding vindt je bij Dansinfo > Dansuitrusting.

Verder is voor hobbydansers iedere kledij waarin je jezelf comfortabel voelt en goed kan bewegen oké.

kledinglexiconAls je gaat wedstrijddansen is de kledij natuurlijk wel een heel belangrijk onderdeel van de show. Vaak worden jurken op maat gemaakt. Het kunnen ook best ingewikkelde constructies zijn. En er hangt een behoorlijk prijskaartje aan. Je kan uiteraard ook tweedehands mooie dingen vinden. Maar ze moeten natuurlijk in de perfecte maat zijn en prima passen (of aangepast worden).

Scout: een kind dat gekleed is als een idioot en geleid wordt door een idioot gekleed als kind
Trui: kledingstuk dat een kind moet aantrekken als zijn moeder het koud heeft

Voor dames allicht een makkie, voor heren vaak onoverzichtelijk. Vandaar dit kleding lexicon. Een (nog beperkt) overzicht van verschillende soorten kleding en benamingen voor kledingsstukken. We beperken ons tot algemene bovenkleding.

'Is die nertsmantel geen droom, schat!' 'Ja, en dat zal ook zo blijven!'
Liefde is blind. En lingerie is braille.


Anklet: van het Engelse woord `ankle`: enkel, dus enkelsok.

Ballonrok: wijde damesrok waarbij men de stof onderaan bij elkaar bindt.

Battledress: kort jasje voor dames en heren. Dankt zijn naam aan het militaire uitzicht, spannend in de taille en met een bloezende rug.

Beenwarmer: ruime kousen van wol of katoen die boven en onder open zijn. Rond enkels en onderbenen gedragen tegen de koude of als fashion statement.

Beha, bh of bustehouder: twee cups, schouderbandjes en een centrale band rond de borstkas om de borsten te ondersteunen en te verbergen.

Bermuda: meestal opvallend gekleurde broek van lichte stof die de dijen vrijwel geheel bedekt.

Blazer: vrijetijdsjasje. Van oorsprong een (felkleurig) licht club/verenigingsjasje, uitgevoerd in clubkleuren, emblemen etc. Oorspronkelijk een (marineblauw) jasje met dubbele rij gouden knopen, geïnspireerd op het 19de-eeuwse uniformjasje van de Britse Royal Navy.

Bloes, blouse: dun hemd of licht jasje met ritsen of knopen, vaak een of twee borstzakjes. Zomerbloezen hebben meestal korte mouwen, winterbloezen lange mouwen. In het noorden van Nederland een kledingstuk voor vrouwen en mannen. In het zuiden alleen voor vrouwen, bij mannen: overhemd.

Boa: kledingstuk gemaakt uit bont, stof, pluimen of veren. De naam is afgeleid van de slang Boa Constrictor, een wurgslang. De boa wordt losjes om de hals en nek gedrapeerd gedragen. In revue-shows veelvuldig gebruikt vanwege hun theatrale effect. Ook in het uitgaansleven wordt de boa soms als decoratief of sierkledingstuk gedragen.

Body(suit): nauwsluitende, eendelige elastische onderkleding voor vrouwen die de gehele romp bedekt, vaak met een sluiting in het kruis. Atleten en ballerina’s dragen het vaak.

Bolero: oorspronkelijk Spaanse klederdracht. Nu is het een kort jasje met lange mouwen dat op de taille eindigt, of een rond, klein hoedje met omgeslagen rand.

Boothals: halsopening van schouder tot schouder. Dankt zijn naam aan het feit dat het eruit ziet als de onderzijde van een boot.

Broek: uitvinding van de Kelten, eerst waren het gewoon lappen stof die met riemen rond het been werden gebonden. Romeinen vonden de broek barbaars.
De lange broek van arbeiders werd gezien als symbool van revolutionaire gezindheid. De aristocraten droegen immers een culotte (broek tot net onder de knie). Het decreet uit 1799 dat vrouwen in Parijs verbood zonder toestemming een broek te dragen op straat werd op 31/01/2013 opgeheven.

Bustier: lingerie voor het bovenlijf, exclusief schouders en armen, als topje (van kant of andere fijne stof), of als bustehouder. Kan een smaller middel geven (wespentaille).

Cape: (schouder)mantel.

Capribroek: kniebroek of vissersbroek, stopt onder de knie. Populair in de jaren '50 en was terug "in" in de jaren '80 en '90.

Cardigan: trui, meestal in wol of katoen en met een V-hals, met een rij knopen vooraan.

Casual: uit het Amerikaanse bedrijfsleven komende term waarmee een mix van informele(re) en vrijetijdskleding wordt bedoeld.

Chemisejurk: ook overhemdbloes genoemd. Een sportieve doch elegante doorgeknoopte jurk die met opstaande kraag en riem wordt gedragen.

Chino: katoenen broek.

Choker: halssjaaltje (ook sierraad) dat ook foulard genoemd wordt.

Cocktailjurk: op of net onder de knie gedragen jurk, minder formeel dan de avondjurk.

Colbert: jasje, genoemd naar Jean-Baptiste Colbert (1614-1683).

Cravate: de 'Kroatische' vrouw die afscheid nam van haar geliefde gaf de huurling haar sjaal als hij vertrok voor de oorlog. Hij droeg die om de hals. De Kroaat of kravat werd vanaf 1630 een begrip in de modewereld.
(Romeinse senaatleden droegen al een zijden fascalia, om de stembanden warm te houden, en legioensoldaten droegen een doek om de hals, een kruising tussen een zakdoek en een shawl.)

Das: stropdas of plastron is een langgerekt stuk stof dat om de hals kan worden geknoopt, cravate.

Decolleté: "geen" kleding, lage uitsnijding aan de halsopening, geeft zicht op een gedeelte van de borsten.

Demi: verkorting van demi-saison zomeroverjas ( Frans voor ‘half’).

Driedelig kostuum: kostuum (pak) bestaande uit een broek, een jasje en een vestje (gilet).

Double Breasted / Single Breasted: colbert met respectievelijk een dubbele en een enkele rij knopen.

Epauletten: schoudervullingen.

Frak: (pandjes)jas van een kostuum.

Foedraaljurk: ook kokerjurk genoemd. Nauwsluitende, rechte jurk zonder kraag, in diverse lengten. Werd gelanceerd in 1918 en werd bekend in de jaren '60 als de Jackie-O-jurk.

Gilet: oorspronkelijk een kledingstuk dat onder een kostuum gedragen wordt, als onderdeel van een driedelig pak, mouwloos, met knopen.

Guêpière (Frans: tailleband; van guêpe: wesp), bustier met jartellen (en borstondersteuning), ook torselet genoemd.

Halternek: bandjes van een bovenstuk die vanaf de borsten in de nek bijeen komen. De halternek is een vaak gebruikte toepassing bij de bikini.

Harembroek: stofrijke pofbroek uit de Turks-Arabische cultuur met boord rond de enkels. Was een succes in de jaren '70 en eind jaren '80.

Heupbroek: de taille van deze broek zit niet op het middel zoals gewoonlijk maar op de heupen.

Hemd is een kledingstuk uit dunne stof voor het bovenlichaam, gedragen door mannen. Vrouwen dragen ook overhemden, maar dan worden ze (in Nederland) bloes of blouse genoemd.

Hesje: kiel, of daarop gelijkend kledingstuk.

Hotpants: zeer kort, strak broekje dat het achterwerk net bedekt. De hotpants waren hot in '71-'72.

Jack: bovenkleding die tot op de heup komt of er net onder.

Jacquet: heeft lange panden en wordt altijd gedragen in combinatie met een gestreepte pantalon en een zwart of grijs vest (bruiloftskledij, feestjas).

Jak: kort jasje of wijde bloes.

Japon: jurk of jurkje voor vrouwen. Kwam onder invloed van Japanse traditionele zijden kleding, de kimono, in de mode omstreeks 1920. ("japon" is Frans voor Japan.) Oorspronkelijk een lange jurk uit één stuk tot op de enkels, gesneden om het figuur lang en slank te laten lijken.

Jarretelle: kousophouder (lingerie) ter voorkoming van het afzakken van de kous. Jarretelles worden bevestigd aan een jarretellengordel om het middel, of aan een korset.

Jas: kledingstuk dat men over de normale kleding draagt om zich te beschermen tegen kou of neerslag.

Jeans: zie artikeltje helemaal onderaan de lijst.

Jopper: halflange waterdichte sportjas, o.a. bij het zeilen gebruikt.

Jersey: nauwsluitende wollen sporttrui.

Jumper: damestrui.

Jupon: onderrok.

Jurk (ook: japon en in Vlaanderen: kleed) is een kledingstuk voor de vrouw waarbij het bovenstuk en de rok als een geheel zijn gemaakt. (In Nederland is een kleed een tapijt..!)

Kaftan: rechte jurk met een doorlopende knopenrij.

Kalot: kruinmutsje of schedelkapje van de clerus.

Kamizool: (wollen) borstrok.

Kazak: vroeger mansoverkleed met wijde mouwen.

Keurslijf: bovenlijf omsluitend korset, middenvoor strak dichtgeregen met veters, drukt de borsten naar boven. Tegenwoordig meer overdrachtelijk: belemmering.

Kleed: jurk in Vlaanderen (tapijt in Nederland).

Kiel of boerenkiel: werkjas zonder voorsluiting die over het hoofd wordt aangetrokken. Vroeger vooral gedragen door boeren en werklui, voorloper van de overall.

Kilt: is een (Schotse) rok specifiek voor mannen.

Knickerbocker: broek die tot net boven de kuiten komt.

Korset: keurslijf, aangetrokken lijfje voor de vrouw ( 18e/19e eeuw). Verstevigd met baleinen, middenachter dichtgeregen met veters. Insnoering tot wespentaille en omhoog gedrukte boezem.

Kostuum: kleding die bij een bepaalde groep, klasse, gelegenheid of periode hoort. Voorbeeld: gewaden van geestelijken, koningen, academische toga's en theatrale kleding. Ook gebruikt voor verkleedpartijen: feestjes, carnaval, Halloween..

Kousenband: band om een kous op te houden, oorspronkelijk voor heren met kniebroek.

Kuitbroek: broek waarvan de pijpen niet lager komen dan halverwege de kuit.

Legging: broek van dunne, rekbare stof die strak om de benen zit.

Lumberjack: jas die tot op de heup reikt met doorlopende sluiting, gebreide boorden en manchetten.

Maillot: in Nederland lange kousen met een broekje aan. In Vlaanderen een gympak. In Frankrijk een tricot van een sporter (wielrenner). Maillot de bain = badpak. Maille = Frans voor maas (als in een visnet).

Mantelpakje: tweedelig pak voor vrouwen bestaande uit rok en jasje.

Marcelleke (onderlijfje, stuk ondergoed om het bovenlichaam warm te houden, onderhemd zonder mouwen en effen van kleur.

Overal: (werk)kleding uit één stuk die alles bedekt (met mouwen en pijpen)

Overgooier: rond de schouders smalle jurk zonder taille die recht valt. Een voorbeeld hiervan is de reformjurk.

Oxford-broek: wijde broek die haar naam dankt aan de Engelse universiteit waar studenten haar introduceerden in de jaren '20.

Mantel: lange overkleding die bij de hals vastgemaakt kan worden.

Overall: werkkleding die over andere kleding gedragen wordt.

Pak: informeel westers stel kleren voor mannen. Het bestaat uit een broek, hemd, jasje, een das en eventueel een vest en een hoed.

Pandjesjas / jacquet / morningcoat / cutaway: met 1 knoop gesloten herenjas met afgeronde voorpanden die naar achteren langer uitlopen. Oorspronkelijk gedragen met een zwart/grijs gestreepte of effen broek, wit overhemd, vest en grijze das.

Panty: nylonkous-broekje met pijpen uit één stuk. De panty kwam in 1967 op de markt mede door de opkomst van de minirokmode.

Pareo: doek die rond de heupen wordt geknoopt. De langere variant wordt rond de borsten geknoopt en bedekt het hele lichaam. Een pareo wordt gedragen als strandkleding boven een badpak of bikini.

Peplos: buisvormige jurk zonder mouwen uit oude culturen. Keltische vrouwen gebruikten twee rechthoekige stukken stof die aan zijkanten en schouders vastgemaakt werden met fibulae (spelden)

Petticoat: kledingstuk voor dames, vooral gedragen in de jaren '50. Een onderrok bestaande uit diverse lagen ruime klokkende stof, eerst van gesteven katoen, later van nylon, waardoor de daarover gedragen rok zeer wijd uitstaat. Nu nog te zien bij de vrouwelijke partner bij ballroomdanswedstrijden.

Pochet: in de borstzak van een colbert gestoken sierdoekje. Bij een stropdas passende accessoire, maar van een andere kleur/patroon. (pocher, stoefer.)

Poloshirt: (T-)shirt van elastische stof met korte knopenrij, een slappe, platte kraag en korte (of lange) mouw. De polo werd in de jaren twintig van de vorige eeuw ontworpen door de Franse tenniskampioen René Lacoste.

Push-up: beha die de borsten omhoog drukt zodat ze groter lijken.

Pullover: (vaak mouwloze) trui met een ronde of v-vormige hals, om over een blouse of hemd te dragen.

Reformjurk: rechte, wijde jurk, die slechts met bandjes op de schouders wordt vastgemaakt. De jurk heeft geen taille en was in zijn periode (rond 1910) niet erg populair.

Robe: lang vrouwenkleed, japon.

Rok: buis- of kegelvormig kledingstuk dat om de taille wordt gedragen en de benen minstens gedeeltelijk bedekt. In tegenstelling tot een broek, heeft een rok geen pijpen.

Rokkostuum / Tailcoat: avondkleding; zwarte, open gedragen jas met zijden revers, met kort voorpand en lang achterpand, met een bijpassende zwarte broek met dubbele bies op de zijkant, met een laag uitgesneden wit piqué vest, en een wit overhemd met wit piqué front, met een witte vlinderdas.

Sari: het bekendste kledingstuk uit India dat door vrouwen wordt gedragen. Een lap stof van vijf tot zeven meter lang en één meter breed die de vrouwen na enige oefening om zich heen slaan.

Singlet: kort mouwloos onderhemd.

Sjaal: (Perzisch: shal,) vierkant of langwerpig stuk doek dat gedragen wordt ter bedekking van het hoofd, de hals en/of de schouders.

Slipover: of "debardeur", trui zonder mouwen die over een hemd of blouse wordt gedragen =
Spencer: trui met v-hals zonder mouwen.

Smoking / Tuxedo: semi-formele avondkleding, herenkostuum - zwarte jas met voor- en achterpand van gelijke lengte, brede revers en een broek met satijnen bies, een witte blouse en zwarte strik en zwarte lakschoenen.

Stola: Romeinse jurk voor vrouwen die over de tunica werd gedragen. Reikte tot aan de enkels of zelfs tot aan de voeten, terwijl de tunica slechts tot aan de knieën reikte.

String: klein zwembroekje of slipje dat het geslachtsdeel bedekt met verder enkel een touwtje om het middel en door de bilspleet. Populair sinds 1970. Reetveter.

Sweater: trui met lange mouwen, doorgaans van synthetisch materiaal. De naam verwijst naar zweten.

Tanga(slip): hoog uitgesneden onderbroek met zijband op de heup (zowel dames- als heren). Als zijpanden breder zijn dan 3 cm is het een heupslip. Als het achterpand zo klein is dat het tussen de billen getrokken wordt, is het een stringtanga of G-string.

Tenue: voorgeschreven kleding (militair).

Tenue de ville: stadskleding, een 2-delig pak met das voor de heren, of een 2-delig mantel-/broekpak voor dames.

Topje: luchtig stuk bovenkleding voor dames in verschillende varianten: als strapless bovenlijfje, als een bovenstukje (vaak mouwloos of met korte mouwen), of ook als naveltruitje, een kort truitje dat de navelstreek onbedekt laat.

Toque: Franse naam voor een hoofddeksel, maar wordt ook gebruikt voor de aanduiding van een product ter bescherming van de mannelijke genitaliën.

T-shirt: kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en een ronde of V-hals (oorspronkelijk onderhemd). Een T-shirt heeft geen sluiting, wordt over het hoofd aan- en uitgetrokken. Het kreeg die naam omdat het in uitgelegde vorm een hoofdletter T vormt. Het wordt daarom steeds met hoofdletter geschreven.

Tuniek: van oorsprong kerkelijk gewaad, nu een korte uniformjas met buitenzakken of een damesoverkleed dat de eronder gedragen rok of japon ten dele vrijlaat.

Tutu: uitstaand, kort balletrokje van gaas.

Trui: bovenkledingstuk voor het boven lichaam. Meestal wordt er een hemd, T-shirt of blouse onder gedragen. Truien zijn vaak gebreid.

Vest: kledingstuk (met sluiting, zonder mouw) voor het bovenlijf dat oorspronkelijk tot over de heupen hing, maar steeds verder omhoog kroop.

Vlinderdas (-strik): vlindervormige das die door heren op de boord van een hemd wordt gedragen. In de volksmond spreekt men doorgaans van een strikje.

Voile: korte lichte sluier aan een dameshoed; ook wijdmazig weefsel van wol of zijde voor japonnen.

Wambuis: gewatteerd kort mouwloos vest, bedekt buik en borst. Oud Hollands. Ook buis, kamizool.

Wide-spread: Wijd(er) uitstaande boord van een overhemd. Oorspronkelijk bedacht om ruimte te bieden aan de dubbele Windsorknoop. Tegenwoordig vooral geassocieerd met de Italiaanse stijl.

Terug van de modeshow. 'Hoe waren de toiletten?' 'Ik moest niet.' MT

Jeans zijn stevige katoenen spijkerbroeken waarvan de naden van de zakken met klinknagels versterkt zijn.

In 1847 emigreerde Levi Strauss naar de Verenigde Staten. Hij maakte van zeildoek stevige en gegeerde broeken voor de goudzoekers in Californië.
Door tekort aan zeildoek stapte hij over op een sterke katoensoort, genaamd 'Serge de Nîmes' (keper uit Nîmes. Keeper is een weefvorm die een schuin lopende ribbel veroorzaakt.). Deze naam verbasterde tot ‘denim’. Voor het probleem van de broekzakken die nog wel eens uitscheurden bedacht kleermaker Jacob Davis in 1872 een oplossing: klinknagels. Op 20 mei 1873 vroegen Strauss en Davis hierop patent aan. De broeken of taille overalls hadden een achterzak met het typische Arcuate Stitching Design, bretels, en een horlogezakje.
Stof voor spijkerbroeken wordt geweven met een schering die indigo gekleurd is, en draden van de inslag die wit zijn. De blauwe verfsoort heette in het Frans "bleu de Gênes" (van het Italiaanse "blu di Genova", dus eigenlijk "Genuees blauw"). Het "bleu de Gênes" werd later verder verbasterd tot "blue jeans", ofwel jeans.
Het is wereldwijd het populairste kledingsstuk voor mannen en vrouwen, in diverse modellen, merken en kleuren.
 
Modellen in volgorde van verkoopcijfers:
De bootcut is strak tot aan de knieën, maar naar onderen toe breder,
straightleg heeft rechte pijpen,
skinny jeans: nauw aansluitende op de huid, dus ook smalle pijpen, en de
olifantenpijpen werden nog minder verkocht.

Op 17de eeuwse schilderijen van een onbekende 'Master of the Blue Jeans' die waarschijnlijk afkomstig was uit Italië, zou de stof ook reeds te zien zijn. Misschien is denim wel meer dan 300 jaar oud?


Menig meisje met en grote garderobe is begonnen met een heel klein slipje. (Max Tailleur)
Niets staat een vrouw beter dan niets. (Maurice Donnay)